Artikels over bloemen:

De kweek en verzorging van rozen

1. Inleiding

De roos staat jaar en dag geboekstaafd als de koningin van de bloemen. Niets vorstelijk of vrouwelijk is de roos vreemd. Welke bloem weet met haar ontelbare weelderige bloeivorm, delicate kleurnuance en zwoele bedwelmende geur de tuinliefhebber meer te bekoren dan de roos? Zelfs haar vrouwelijk karakter accentueert deze statige dame terdege door haar verzorger regelmatig te trakteren op venijnige steken van haar vele vlijmscherpe doornen. Haar statige groei komt ten volle tot zijn recht in tuinen van vorsten en hoogwaardigheidsbekleders die vaak deze nobele plant in hun wapenschild koesterden als hun hoogste schat.

2. Standplaats

Rozen staan het liefst op een luchtige, zonnige plaats, behalve voor oude rode soorten, deze zullen onder invloed van de zon verkleuren en kunnen dus best wat in de schaduw worden gezet.

Tegen een zuidermuur zullen slechts enkele soorten het goed doen, bv. Mermaid, omwille van de grote lichtreflectie.

Vermijd om rozen aan te planten in de buurt van natuursteen, grindtegels of asfalt, deze geven ook een te grote reflectie. Ook de vrijkomende dampen van spoorbiels en andere gedrenkte houten materialen zijn nefast voor de rozen. Hierdoor krijgt men bijvoorbeeld het vroegtijdig verdorren of afvallen van het blad en een slechte ontwikkeling zowel wat de groei als de bloei betreft.

Ook een noordenmuur is een probleemplaats waar slechts enkele voor geschikt zijn (bv. de kleinbloemige Pink Cloud). In de halfschaduw zijn alleen trosrozen te gebruiken en onder bomen zal geen enkele roos het goed doen.

De ideale aanplant is in de buurt van grasperken, maar ten gevolge van de stationaire lucht en hoge luchtvochtigheid kunnen daar door inwerking van schimmels bladvlekken optreden. Om dit te voorkomen neemt men best sterke variëteiten en zet men Buxus rond de rozenperken. Deze scheidt niet alleen de rozen van het vochtige gras, maar stimuleert ook de groei en laat de schoonheid van de rozen beter tot uiting komen.

Besluit:

  • Tuinen op het westen of oosten gelegen met volop ochtend- en/of middagzon zijn zeer geschikt, ook de gevoelige kleuren blijven hier op hun best.
  • Tuinen op het zuiden gelegen geven geen problemen, behalve aanplant tegen een zuider-muur.
  • Tuinen op het noorden zijn af te raden

3. Geur

De zalige geur van rozen is het sterkst waar te nemen in de ochtend, na een vochtige nacht. In de warme ochtenduren wordt dit nog versterkt.

De zogenaamde historische rozen bezitten de eigenschap om heerlijk te geuren, bv. Felicite Parmentier, Blush Noisette en andere.

Muskusrozen hebben de typische muskusgeur.

Klimrozen zoals Albertine, Compassion, Etoile de Hollande geuren zeer sterk.

Voor een fijne geur moet u o.a. Lady Rose, Ophelia, Amber Queen of L’aimant aanschaffen.

4. Grond

Meest geschikt zijn klei, leem en zandleemgronden.

4.1. Zware klei, leemgronden, kalkgronden

Zware klei-, leem- en kalkgronden verlichten door inwerken van compost, (GFT) humus of rozenpotgrond rond de wortels aanbrengen.

4.2. Middelzware zandgronden

Middelzware zandgronden hebben meer bemesting nodig

4.3. Natte gronden

Bij natte gronden moet een drainage aangelegd worden, door:
  1. een gewone drainage aan te leggen 50 cm. diep:
  2. zand of grindpalen van 10cm doorsnede aan te leggen:

4.4. Droge gronden

  1. Mulchen met stalmest of humus ca. 5 cm. dik
  2. Aanbrengen van een ca. 8 cm. dikke laag dennenschors maat 10/20

4.5. Wat is de ideale grond?

De ideale grond om rozen te houden in een goede gezondheid moet neutraal of lichtzuur zijn.

5. Grondbewerking

Vóór de aanplant:

  • Is een diepe grondbewerking noodzakelijk.
  • De bouwlagen moeten op hun plaats blijven.
  • In de bovenste laag van ca 30 cm, moeten we goed verteerde stalmest of humus onderwerken.
  • Compost toevoegen a rato van 30l/m².
De PH waarde moet zoals gezegd neutraal of lichtzuur zijn, dus:
  • Bij te lage PH: verhogen door 1 à 3 kg. magnesiumkalk lichtjes in te werken.
  • Bij te hoge PH: verlagen door humus, stalmest, turf of een combinatie van turf met humus of stalmest in te werken.

6. Onderhoud

  • Regelmatig schoffelen is een must.
  • Rozen houden van grond die rijk aan humus is en liefst van tevoren goed bewerkt is.
  • Onderwerken van humus of GFT-compost in de bovenste 30 cm (dieper heeft geen effect) bevordert de ontwikkeling van de rozen.
  • Te veel kalk en/of te hoge grondwaterstand zijn funest voor rozen.

7. Bemesten en kalken

7.1. In de herfst (november)

Een laag verteerde stalmest van ca. 5 cm of organische meststof (5-5-6 Fimus) op basis van bloed-, been-, hoef- en hoornmeel + 3% magnesium a rato van 100 l. per are toevoegen.

Bekalken doet men steeds in de herfst (om de 3 à 4 jaar). 5 kg. per are lichtjes inwerken. Dit nooit samen met andere meststoffen uitvoeren maar STEEDS VOORAFGAAND. Gebruik liefst magnesiumkalk.

Opgepast: te kalkrijke gronden bemoeilijken de opname van ijzer (belangrijk voor bladgroenvorming). Dit probleem is herkenbaar aan gele bladeren over een groot gedeelte van de rozenstruik (chlorose).

7.2. In de lente (maart-april)

In lente, direct na de snoei kunstmeststof 12-10-18 geven, een handvol per m². Dit om de nieuwe groei te stimuleren. Organische bemesting is niet nodig indien deze reeds in de herfst werd toegepast.

7.3. Begin juli

Na de eerste bloei kunstmest met een hoge K-waarde (PATENTKALI) of 12-10-18 toevoegen. Indien enkel met 12-10-18 bemest wordt, kunt u in juli aanvullen met Kieseriet.

Na deze juli-bemesting geen meststoffen meer toedienen tot in de herfst (nieuwe cyclus), dit om het jonge hout af te laten rijpen.

De invloed van de verschillende componenten van de meststoffen zijn als volgt:
  • stikstof (N) voor groei en bladstand
  • phosfor (P) voor wortelvorming
  • kalium (K) voor de knopzetting, afrijpen en de kleur van de bloem
  • magnesium (Mg) voor de bladgroei.

8. Mulchen

In Engeland en Frankrijk wordt het mulchen op grote schaal toegepast.

In België en Nederland echter wordt het weinig of niet toegepast, en ten onrechte.

Door het mulchen wordt de structuur van de grond verbeterd, er ontstaat een actief bodemleven, de bodemstructuur blijft onaangetast (vb. voorkomt dichtslaan van de grond na een plensbui), de grond zal minder snel uitdrogen en onkruid zal zich minder gemakkelijk kunnen ontwikkelen.

Mulchen gebeurt bij voorkeur elk jaar na de oppervlaktebewerking in herfst en vroege winter.

De dikte van de aangebrachte laag is ca. 5 cm, voor stalmest en compost en ca. 5 à 8 cm, voor los gestorte schors.

Goede mulchmaterialen zijn:

  • goed verteerde stalmest
  • compost, goed rullig en verteerd gemalen en gezeefde dennenschors Kal. 10/20
  • champignonmest (OPGEPAST: bevat vrij veel kalk, dus met mate gebruiken)
  • gemaaid gras in dunne laagjes aangebracht over verschillende keren (OPGEPAST: geen gras gebruiken dat behandeld werd tegen onkruid en mossen (ijzersulfaat))

De bemestingsadviezen uit de vorige paragraaf blijven van toepassing bij het mulchen!

De goed verteerde stalmest en compost kunnen in combinatie met turf gebruikt worden om een beter esthetisch uitzicht te krijgen of voor het neutraliseren van de alkaliteit.

9. Watergeven

Dit is van zeer groot belang.

Men moet zeker goed gieten bij droogte en schrale NO winden na het planten.

Ook na de eerste bloei is watergift noodzakelijk. Hierdoor wordt de groei gestimuleerd die noodzakelijk is voor het verkrijgen van een herbloei.

Bevloeien met een vloeidarm is zeer economisch in waterverbruik en prijsvriendelijk.

Rozen gekweekt als potplanten regelmatig controleren en bijwateren.

10. Planten

Planten kan gebeuren van november tot april.

10.1. In de herfst (november)

  • vooraf de wortels water laten opnemen (enkele uren tot een halve dag)
  • een goed ruim plantgat maken:
    • struikrozen 35x35x30 diep
    • heester en klimrozen 50x50x50 diep
  • een handvol beendermeel door de bodem en de uitgegraven grond mengen
  • een lichte wortelsnoei toepassen, inkorten tot op 25 à 30 cm
  • bij stamrozen een steunpaal inkloppen aan de windkant
  • de wortels goed uitspreiden en lichtjes op en neer bewegen bij het vullen zodat de aarde overal rond de wortels zit
  • bij potrozen enkele dikke wortels voorzichtig losmaken
  • de grond voorzichtig aandrukken, haaks op de struik
  • kronen opsnoeien of opschonen tot 35 à 40 cm.
  • let er op dat de entplaats 3 à 5 cm. onder het grondoppervlak komt
  • stamrozen moeten lichtjes aangebonden worden om nazakken te voorkomen
  • klimrozen moeten altijd op ca 30 cm. van de paal of de muur geplant worden
  • aanheuvelen of mulchen met stalmest. Dit moet in de lente weer verwijderd worden.

10.2. In de lente

  • idem als hierboven
  • belangrijk is dat hoe later u plant hoe dieper teruggesnoeid moet worden om uitdrogen te vermijden (10 tot 15 cm).
  • bij droogte (NO-winden) goed aangieten !!!!!

10.3. In de zomer

  • enkel met potplanten werken, geen rozen met naakte wortels gebruiken
  • de potkluit goed laten volzuigen
  • de potkluit intact laten en voorzichtig uit de pot nemen
  • na het planten regelmatig een goede hoeveelheid water geven.
    Plantdiepte

    Planten van een klimroos

    Voorzichtig aandrukken na het planten

    Planten en vastmaken van een stamroos

    Wortels inkorten

10.4 Plantafstanden

  • miniaturen: 20 à 25 cm.
  • trosrozen: 35 à 40 cm.
  • theehybriden: 45 à 50 cm.
  • Engelse rozen: 60 cm.
  • heesters: 100 à 120 cm.
  • botanische rozen: 150 à 200 cm.

miniaturen, trosrozen en theehybriden moeten in driehoeksverband geplant worden.

10.5. Winterbescherming

  • mini’s: afdekken met dennentakken /stro
  • struikrozen: aanheuvelen/mulchen
  • heesterrozen: geen
  • klimrozen: sommige aanheuvelen/mulchen, vb. Altissimo
  • stamrozen: coniferengroen over de entplaats leggen en ingevroren takken diep insnoeien

11. Ziekten

11.1. Schimmels

11.1.1. Sterroutdauw (blackspot)

Sympytomen Oorzaken Oplossing
Zwarte vlekken, de randen worden geelachtig en tenslotte wordt heel het blad geel en het valt af. Dit is erfelijk, te veel stikstof, te nat (niet opdrogen), schaduw en te lage temperaturen. Resistente cultivars kopen, juiste voeding mulchen, spuiten met BAYCOR EC 300

11.1.2. Meeldauw

Sympytomen Oorzaken Oplossing
Is een grijswitte schimmelpluis. Bedekt de bladeren, de scheuten, de knoppen en bloemstelen. Er doen zich vergroeiingen voor en de bladeren vallen af. Is ook erfelijk, te veel stikstof, (zachte groei) standplaats is niet goed, weersomstandigheden, zie ook hierboven. Resistente cultivars zorgen voor gezonde groei, open kronen snoeien, EUPAREN Preventief

11.1.3. Valse meeldauw

Sympytomen Oorzaken Oplossing
De schimmelpluis zit aan de onderkant van het blad, sterke bladval, soms zijn ook de bloemknoppen aangetast, de bovenkant van het blad heeft geelgrijze tot purperrode vlekken. idem als hierboven. idem als hierboven.

11.1.4. Roest

Sympytomen Oorzaken Oplossing
De boven en onderkant van de bladeren vertonen in het voorjaar oranjerode sporenhoopjes. Later in het seizoen op de onderkant roestachtige vlekken die in augustus zwart worden en het blad uiteindelijk doen afvallen. Na een periode van vochtig en warm weer, kali-gebrek, erfelijk. Meestal zijn heesterrozen resistent. voor al deze schimmelziektes: zorgvuldig behandelen, aangetaste delen afsnoeien en verbranden. NIET op de grond laten liggen. Schimmels maken sporen die besmetting voor volgend jaar veroorzaken.

11.2. Gebreken

Sympytomen Oorzaken Oplossing
Klein gelig blad, dunne lichte scheuten en takken, zwakke groei Stikstofgebrek Stikstof bemesting toedienen.

Bv. Ammoniakstikstof 26% verdeeld in vlug en langzaamwerkend.

Te sterke groei, vooral van blad. Te veel aan stikstof.

Gevolg: weinig bloei, grote vatbaarheid voor ziekten en insecten.

Geen stikstof toedienen tot volgende lente.

Eventueel uitspoelen.

Roodpaarse verkleuring van bladeren, soms met bruine vlekken. Meestal op zware grond, gebrek aan fosfor.
  • Komt sporadisch voor.
  • Te veel fosfor belet opname van zink en koper.
Beendermeel, superfosfaat.
Bladeren krullen, verkleuren bruin, sterven af. Slechte kleur van de bloem, groei neemt af.

Bladpigment te licht, bruine knoppen en gaan niet open.

Slechte assimilatie.
  • Meestal op te lichte of zandgronden grond. (uitspoeling)
 
Blad tussen de nerven geel, ook de randen. Snel afvallen van blad, slechte groei. Magnesiumgebrek.

Slechte waterhuishouding.

  • Meestal op zandgronden en op gronden met een te hoog kalk- en kaligehalte
Kieseriet of magnesiumsulfaat spuiten. (2 cc op 1l water) (snelle werking)
Vergelen van gans blad en valt snel af. IJzergebrek.
  • Kaligebrek kan ijzergebrek veroorzaken.
  • Te hoog kalkgehalte geeft
    ijzer- en magnesiumgebrek.
Zuurtegraad verhogen.

Zeewierkalk in de zomer.

Magnesiumkalk in december.

11.3. Plagen

11.3.1. Nuttige dieren:

Spuiten tot het minimum beperken. Rozen kunnen heel wat verdragen indien de voedingstoestand goed is. Dus zorgvuldig toepassen en dan nog enkel in uiterste noodzaak. Door zo min mogelijk te spuiten en zo mogelijk met milieuvriendelijke middelen, zorg je dat de natuurlijke vijanden van al de schadelijke insecten gespaard blijven.

11.3.1.1. Nuttige insecten:
  • Oorwormen: eten bladluizen en rupsen.
  • Lieveheersbeestjes: deze kever en z'n larven eten bladluizen.
  • Sluipwespen: leggen eieren in rupsen, de larven eten de rupsen uit.
  • Roofmijten: eten spintmijten en hun eieren.
11.3.1.2. Nuttige andere dieren:
  • Zwaluw
  • Mezen

11.3.2. Voornaamste belagers van de roos

11.3.2.1. Bladluizen:
  • zuigen aan de sapstroom
  • scheiden honingdauw af, plakkerige bladeren, overwinteren door middel van eieren. (winterbehandeling)
11.3.2.2. Cicaden:
  • te vinden op de onderkant van het rozenblad
  • veroorzaken zilverachtige vlekjes op blad
  • vooral op leirozen op warme beschutte plaatsen
  • bladval bij zware aantasting
11.3.2.3. Wanten:
  • zuigen sap en injecteren gifstoffen
  • eitjes overwinteren in de scheuten
  • winterbehandeling en goed snoeien
11.3.2.4. Spint:
  • beschermt zich met spinsel
  • aangetast blad wordt vaal van kleur
  • vooral bij droog en warm weer
  • op onderkant blad
11.3.2.5. Bladroller - ringelrups:
  • vreten aan jonge blaadjes en spinnen ze samen waarin ze zich verstoppen voor de tweede generatie in de zomer. Ringelrups vreet de bladeren kaal.

12. Planten van nieuwe rozen op dezelfde grond

12.1. Rozenmoeheid: (wortelaaltjes)

Is grond waarop gedurende minstens 5 tot 6 jaar rozen hebben gestaan. Nieuwe rozen zullen het hier hoogstwaarschijnlijk niet goed doen door de aanwezigheid van wortelaaltjes in de grond.

12.2. Mogelijkheden

  1. Voor perken in de tuin: vrijlaten van rozen gedurende 3 jaar en vervangen door bloemen of gras.
  2. In bloemen of heersterborders: de nieuwe rozen iets uit de buurt planten ± 1m.
  3. Volledig nieuw perk of border aanleggen. Is ideaal op goede nieuwe doorwerkte grond. (plaats)
  4. Indien dit alles niet mogelijk is, veel humus doormengen en opnieuw planten en dan maar afwachten. Afrikaantjes zaaien tussen de rozen verminderd de aantasting maar qua kleur verdragen ze elkaar niet zo goed, dus de bloempjes wegknippen.

Besluit:

Planten vrij van ziekten houden door toepassing van:

  • regelmatig en met de juiste meststoffen bemesten
  • luchtig en zonnig planten
  • mulchen met stalmest, humus, schors of compost.

Een gezonde cultuur is de beste ziektebestrijding of gewasbeschermingsmethode.

En denk erom:

  • Te kalkrijke gronden
  • Te donkere standplaats (schaduw van bomen of gebouwen).
  • Wortelconcurrentie en drup van bomen
  • Te dicht op elkaar planten (drogen slecht op)
  • Te nat – Te droog (tegen zuidermuur)
  • Te veel stikstof (vatbaarder voor ziekten)

zijn allemaal doelwitten voor parasieten.

13. Snoeien

Bedenk: snoeien doet groeien!

Rozen worden verdeeld in twee groepen:

  1. Bloei op hout van voorgaand jaar.
  2. Bloei op loten van het lopende jaar.

13.1. Hout van het voorgaande jaar.

  1. Spinosissima, Mosrozen, Centifolia, Gallicia, Alba, Damascener (niet allemaal), Ruligonosa, Xanthina worden gesnoeid in augustus of einde juli, direct na de bloei. Alle uitgebloeide zijtakken weghalen tot juist boven de plaats waar een krachtige nieuwe tak is ontstaan. (Trühlingserie)
  2. Klimrozen en treurrozen worden direct na de bloei gesnoeid.
Pas als de laatste bloem is uitgebloeid, knippen we de bloemtros terug tot een vijfblad Wilde scheuten worden van de onderstam afgetrokken

 

Eerste behandeling
De oude en zwakste takken worden weggehaald, om een verjonging tot stand te brengen. De uitgedunde struik, met aanduiding van de plaatsen waar men moet snoeien. Na het snoeien.

 

Snoei van niet-doorbloeiende klim- en treurrozen
Eerste snoei van een niet-remonterende klimroos.  De streepjes geven de plaats aan waar men moet snoeien.  Doe dit direct na de bloei (juni). Dezelfde roos een paar jaar later, weer met streepjes op de plaatsen waar men na de bloei (juni) moet snoeien.
Voor de klimrozen:

Jonge scheuten bewaren. Oud hout wegnemen indien niet meer nodig. Jonge scheuten geven het komende jaar de bloemen. Van de bloeitakken moeten de bloeitrossen tot op 3 ogen teruggesnoeid worden. Indien de bloeitakken weinig groeikracht vertonen, worden ze op 3 of 5 ogen teruggesnoeid. Bloeitakken die voor het eerst gebloeid hebben, kunnen eventueel blijven, (mits terugsnoeien van de bloemtrossen) indien ze nodig zijn voor een mooie bedekking.

Voor treurrozen geldt hetzelfde als of voor klimrozen, maar:

Jonge scheuten niet inkorten. Zijtakken van de oude hoofdtakken inkorten tot boven het punt waar scheuten zijn.

 

Snoei van een grootbloemige remonterende klimroos langs muur
Eerste jaar: de pasgekochte struik wordt flink ingekort Tweede jaar: de struik is wat uitgegroeid en wordt weinig gesnoeid Tweede jaar: na het snoeien en leiden

Na het tweede jaar de twijgen aanbinden en de uitgebloeide bloemen zo snel mogelijk wegnemen tot op twee ogen.

Vanaf het derde jaar: snoeien begin maart of zelfs vroeger indien gunstig weer of indien de roos zonnig staat:

  1. Beste oudere hoofdtakken waaraan krachtige jonge takken bewaren.

  2. Jonge scheuten uit de voet aanbinden onder hoek van 45°.

  3. Takken van het vorige jaar met een derde inkorten.

  4. Zijtakken (bloeihout): zwakste terugsnoeien op twee ogen, sterkste terugsnoeien op vier ogen.

Derde jaar: de al wat flinkere struik worde op de plaats van de streepjes gesnoeid Derde jaar: na het snoeien en leiden
Vierde jaar: weer worden de dunne uiteinden van de takken weggehaald Vierde jaar: na de snoei en leiden

13.2. Hout van het lopende jaar.

  1. Heersterrozen, (Muskus, Bourbon, Remontant, Engelse rozen), worden in februari en ten laatste begin maart gesnoeid. Gunstig en zonnige standplaats is belangrijk.
  2. Klimrozen, botonische rozen. Hetzelfde als (1).
  3. Miniatuur, Polyantha, Floribunda, Thee hybriden, Chinese rozen, grondbedekkende rozen. Miniaturen en grondbedekkers kort tot vlak boven de grond. Polyantha, Floribunda en Thee hybriden zie tekening. Chinese rozen zoals (1) afhankelijk van de soort of zoals Polyantha en Floribunda’s.

Algemeen:

Doorbloeiende klimrozen aan zuilen, pergola, palen worden spiraalvormig aangebonden daar dit de sapstroom bevordert.

Als men te laat is met snoeien, snoei dan nog bij koud weer, daar er dan een verminderde sapstroom is en dus ook minder bloeding.

Voor engelse rozen en de verschillende snoeitechnieken zie tekening hieronder:

Snoeien van engelse en heesterrozen

Spreidende vormen

Verwijder ongeveer een derde van elke tak en snoei vlak boven een naar buiten wijzend oog. Probeer de natuurlijke breedte en de spreidende groei van de struik te bewaren.

Rankende vormen

Snoei licht om de maximale hoogte en de breedte van deze vormen te bewaren. Neem een vijfde tot een kwart van elke tak weg en snoei terug op een oog.

Bossige vormen

Stimuleer de bossige groei door ongeveer een derde van elke tak weg en zorg ervoor op een oog terug te snoeien; de ogen zullen uitlopen en volop bloeischeuten produceren. Verwijder zwak hout.

Opgaande vormen

Deze vormen kunnen sterk worden gesnoeid waardoor stakerigheid wordt voorkomen. Verwijder ongeveer de helft van elke tak. Snoei steeds terug op een naar buiten gericht oog.

Perkrozen

Als u engelse rozen als perkrozen kweekt, moet u snoeien als bij theehybride: snij elke tak terug op een naar buiten gericht oog op ongeveer 15cm boven de grond.

14. Opbouw van het assortiment

14.1. Soorten

Gezien de uitgebreidheid van het assortiment is geopteerd voor een eenvoudige en praktische indeling:

  • Botanische rozen.
  • Oude rozen, historische rozen.
  • Moderne rozen, klimmende en niet klimmende

14.1.1. Botanische rozen

Reeds in de Middeleeuwen werden soorten en afgeleiden gevonden in de natuur, verspreid over de gehele wereld, zoals Rosa Gallica, Alba enz. Meestal nog terug te vinden in parken en collecties en in gespecialiseerde kwekerijen.

14.1.2. Oude of Historische rozen.

Zij zijn ontstaan uit de botanische rozen en omvatten een aantal soorten en variëteiten met al dan niet klimmende groeiwijze. Rond 1800 werden enkele doorbloeiende Chinese rozen geïntroduceerd. De Chinese rozen liggen aan de basis van de moderne rozen.

14.1.3. Moderne rozen.

Ontstaan uit kruisingen van reeds in Europa gekende variëteiten met Chinese rozen. Van deze laatste werd de doorbloeiende eigenschap geërfd. Rosa chinensis, Rosa x odorata, Rosa gigantea.

  1. Niet klimmende zijn parkrozen, heesters, theerozen, polyantha, floribunda, patiorozen, miniatuurrozen, landschaprozen, bodembedekkers en engelse rozen.
  2. Klimmend zijn rozen met lange twijgen al dan niet doorbloeiend. Leirozen (ramblers) éénmaal bloeiend inde vroege zomer, klimrozen tweemaal of doorbloeiend.

14.2. Groepen

  1. Minatuur-, patio-, kosterrozen.
  2. Polyantarozen, Floribundarozen.
  3. Theehybriden
  4. Landschaprozen, bodembedekkende rozen.
  5. Chinese rozen.
  6. Engelse rozen.
  7. Heesterrozen. ( Botanische, oude of historische, Moschata hybriden (Muskusrozen), Remontantrozen, doorbloeiende rozen.
  8. Klimrozen, éénmaal bloeiend, her- of doorbloeiend.
  9. Leirozen éénmaal bloeiend.

14.3. Vormen

  1. Struiken op eigenwortel via stek of afleggen. (Provins, Remontant, bodembedekkers enz.
  2. Geënte rozen veredeld op zaailingen.
  3. Struikrozen of algemene benaming voor rozen tussen 60 en 120cm hoog.
  4. Parkrozen, de meeste heesterrozen, van 100 tot 250cm hoog.
  5. Klimrozen, dit zijn rozen met klimranken.
  6. Leirozen, dit zijn klimrozen waarvan de groeiwijze rankend en kruipend is.
  7. Stamrozen hebben een rechte stam (zaailing), die een geënte kroon draagt. (60, 80, 100, 120cm)
  8. Treurrozen hebben op een kale stam (zaailing) van 150 tot 200cmm een geënte klim- of leiroos.
Copyright © 2004-2009 Quintux