Overige artikels:

Varens

1. Inleiding

Varens spreken tot de verbeelding. Samen met de telgen uit de paardestaarten en de wolfklauwenfamilie stammen ze uit de beginjaren van onze planeet en dienden niet alleen tot voedsel voor gigantische dinosauriërs maar waren zij eveneens één van de eersten die de aarde groen maakten en ze zo voorzagen van de broodnodige zuurstof.

Hun primitief voortplantingssysteem was voor velen van ons het "ezelsbrugske" uit de biologieles in onze pubertijd. Het vertrouwde ballonnetje van de bloempjes en de bijtjes gaat bij deze prehistorische overblijfselen niet op. Eenvoudige seksuele organen als stampers en meeldraden die met elkaar een vruchtbare relatie aangaan worden bij de varens vervangen door haast onuitspreekbare, Latijns klinkende, onheilspellende attributen die een vuile smaak in de mond nalaten. Daarbij draagt een varen geen bloem en kan dan ook niet een twijfelaar met dit attribuut in extremis tot enige sympathie zijns persoon bekeren.

De natuurlijke standplaats van een varen draagt ook niet bij tot een grote populariteit. Diep in de bossen, verdoken onder het gebladerte, op een zompige bodem, bedekt met een dikke laag van rottende en dampende bladeren, voelen zij zich in hun sas. Anderen vinden dan een veilige thuis in spleten van rotsen langs waterlopen en watervallen. Als een aasgier op een kadaver, staat varen op een hoop van rottend plantaardig afval.

Dit neemt niet weg dat een varen geen plaatsje in onze tuin kan krijgen. In tegendeel, een beetje mystiek en geheimzinnigheid heeft nog geen enkele tuinder afgeschrikt. Daarbij is de varen een zeer sierlijke plant die weinig onderhoud vraagt en mits ze de gepaste grond heeft, snel groeit.

In kleine en beschaduwde tuinen is een wintergroene varen een gewilde gast en varens met een wortelstok lenen zich uitstekend tot grondbedekkers hetgeen in hedendaagse drang naar onderhoudsvriendelijke tuinen vlot is meegenomen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Volkstuinen van Sint-Truiden op hun vorige vergadering Mevrouw Marijke Lathouwers van de varenkwekerij "Buiten gewoon" Chäteau de la Forge 1 in Anthée uitnodigden op hun vergadering om hun leden wat te onderhouden over deze merkwaardige planten.

2. Historiek

Zo'n driehonderd miljoen jaren geleden verschenen de eerste varens op aarde. Samen met de paardestaarten en de wolfklauwen maakten zij gedurende honderden miljoenen jaren de beplanting uit op deze aarde. Na al deze jaren komen er momenteel nog een 12 duizend soorten varens op onze wereld voor. De meeste groeien in de tropische hooglandoerwouden van Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië.

De meeste varens die we kennen leven als epifyten. De planten hebben luchtwortels en vindt men in de toppen van de bomen of op de vergane stronken. Deze levensvorm is enkel mogelijk in zeer warme en zeer vochtige omstandigheden.

Een minderheid treft men op de grond aan omdat hier een chronisch gebrek aan zonlicht is. Een derde groep varens zijn de klimmers. Ze wortelen wel in de vochtige, humusrijke bosgrond maar klimmen met hun meterslange stengels langs de stammen van de woudreuzen naar het licht.

De varens deelt men bij de Pteridophytha in. Hiertoe horen de hogere planten die zich, in tegenstelling tot de zaadplanten die zich voortplanten met zaden, dit doen door middel van sporen.

In de gematigde- en koude klimaatgordels vindt men heel wat minder varens. In Noord-Amerika zijn er nog een 600-tal soorten van varens te vinden en in Japan voelen zich er nog een 400 soorten thuis.

Europa moet het met een merkelijk minder aantal soorten stellen. In Nederland komen er nog een 30-tal varensoorten voor waarvan ongeveer de helft beschermd is. De ijstijden met de enorme ijskap, die haast heel Europa een paar malen bedekte, schijnt hiervan de oorzaak te zijn.

De varens die in Europa nog overblijven hebben een groot verspreidingsgebied. Vanaf de Noordpool tot in het Middellandse-Zeegebied vinden wij streekeigen varens terug.

De interessantste soorten varens komen voor in het tropische regenwoud. Vooral in de oerwouden van Nieuw-Zeeland en Nieuw-Guinea treft men zeer grote boomvarens aan. De bladeren zijn diep ingesneden en de stam van deze woudreuzen is zwart en behaard.

Een van de meest fascinerende elementen van een varen in de lente is het ontrollen van het jonge blad. Dit blad ontstaat als een netjes opgerold worstje in het centrum van de plant en naarmate de groei vordert ontrolt het zich tot een mooi gevederd blad.

3. Voortplanting

In tegenstelling tot de hogere planten die zich door zaden voortplanten, stellen de varens hun nageslacht veilig door middel van sporen. In geleerde termen spreekt men dan van een afwisseling tussen een geslachtelijke en ongeslachtelijke generatie.

Aan de onderkant van de bladeren komen sporendoosjes te zitten. Deze groeperen zich meestal in hoopjes, bedekt met een vliesje en bruin van kleur. Hieruit komen dan de haploïde (geslachtelijke) sporen. Om dit proces goed te laten verlopen moet er aan een aantal voorwaarden aangaande de luchtvochtigheid, bodemvochtigheid, temperatuur en lichtintensiteit voldaan worden.

In de grond groeit uit deze spore een hartvormig prothallium of voorkiem waarop zich mannelijke en vrouwelijke organen bevinden(de antheridiën en archegoniën).

De antheridiën leveren dan zaadcellen die de onbeweeglijke eicel in een archegonium worden aangetrokken en deze uiteindelijk bevruchten. Na een bevruchting groeit er in zo'n cel dan een nieuwe varen opgebouwd uit stengel, wortels en bladeren, die diploïd (ongeslachtelijk) is.

Dit proces voltrekt zich in de vroege zomer. Het opkweken van varens uit sporen is specialistenwerk.

Er zijn varens met twee soorten bladeren. De groene, grote bladeren zonder sporen of steriele bladeren. Deze zitten aan de rand van de plant. In het centrum van de plant zit er een sporenblad dat vol met sporenhoopjes zit. De steriele bladeren verdwijnen meestal in de winter en het sporenblad blijft er gans de winter aan de plant zitten.

Sommige soorten van varens vormen op de nerven broedbollen waar plantjes uitkomen. Deze broedplantjes krijgen worteltjes en kan men in grond uitplanten.

Varens vormen wortelstokken. Door deze door te knippen kan men de varen vermenigvuldigen.

Tot slot kan men de varens ook vermeerderen door te scheuren of te delen.

4. Groeiwijzen

Alle varens zijn in hun geëigend klimaat overblijvend. Sommige (vooral de Japanse soorten) houden in de winter hun blad.

De eerste soort varens die wij onderscheiden zijn de wintergroene soorten. Zij houden hun blad de ganse winter en groeien trager dan de soorten waarvan het blad tijdens de winter verdwijnt.

De tweede soort zijn half wintergroene varens. Deze verliezen enkel hun bladeren bij zeer strenge vorst. Wanneer de winter niet zo streng is behouden zij hun blad.

Tot slot zijn er die in de herfst hun blad volledig afstoten. Bij ons zijn dit zijn vooral de adepten van de Stekelvaren familie.

De varen leeft op wortelstokken. De meeste varens blijven netje binnen hun perken. De Adelaarsvaren en de Bekervaren zijn de twee woekeraars.

Ook de bladstand is verschillend. Sommige varens groeien met de veren verticaal omhoog, terwijl anderen hun bladeren meer tegen de grond houden.

Natuurlijk verschillen de varens van omvang. Dit varieert van enkele mm omvang tot anderhalve meter.

5. Grondsoort

Varens zijn zeer streekeigen planten en stellen specifieke eisen aan hun omgeving. Deze voorwaarden zijn dan ook erg uiteenlopend. Er zijn varens voor zure gronden en voor kalkgronden. Sommige varens vragen een zeer natte bodem (er zijn zelfs moerasvarens) en anderen vragen om een zeer lichte en droge bodem. Sommige varens verkiezen een voedzame bodem en anderen wortelen in een rotsspleet of in een voeg van een verweerde muur.

In het algemeen voelt een varen zich thuis in een vochthoudende, humusrijke en lichte bodem. Wij zorgen ook voor veel organisch materiaal in de bodem.
Doordat varens zo specifieke eisen aan hun omgeving stellen, komen ze op de plaatsen waar ze zich goed voelen (hun geijkte biotoop) massaal voor.

6. Standplaats

Een varen houdt over het algemeen van schaduw maar er zijn ook soorten die het uitstekend doen in de zon. Dit maakt het mogelijk om overal in de tuin varens te planten. Het grootste deel van de varens verkiest vooral de schaduw en de halfschaduw. Het zijn meestal die plaatsen waarvoor wij meestal niet veel alternatieven hebben.

De luchtvochtigheid is van zeer groot belang. Wij kunnen deze verhogen door de aanleg van waterpartijen met fonteinen het planten van heesters en het creëren van schaduw.

Varens kan men aanplanten als solitairen maar ook in groep doen ze het goed en er zijn zelfs varens die wij als grondbedekkers kunnen aanplanten. De soorten die wij hiervoor kiezen mogen niet te ver van mekaar op hun wortelstokken ontwikkelen anders krijgen wij teveel open plekken.

7. Planttijdstip

Varens in pot mag men altijd planten. Maar het best vertrouwen wij de varen aan de volle grond toe in het voorjaar (april-mei) en het najaar (september-oktober). Het best planten wij in het najaar omdat de plant dan nog voor de winter kan inwortelen en zo een voorsprong van een gans groeiseizoen kan opbouwen.

Bij een zeer natte grond is het raadzaam om de planten in het voorjaar te planten.

8. Overwinteren

Varens vragen over het algemeen om een hoge luchtvochtigheid. Hierdoor wordt de overwintering van vorstgevoelige exemplaren meestal een probleem. De temperatuur mag niet onder de 5 ° C dalen maar de lucht moet vochtig genoeg blijven. Een koude bak of een niet verwarmde serre of veranda zijn uitstekend hiervoor geschikt.

In een huiskamer houden de varens met fijne bladeren het maar een drietal maanden uit. Deze met brede bladeren gaan nog sneller voor de bijl.

9. Bladkleur

Enkele varens hebben de eigenschap dat hun jonge blad bij het ontluiken een zeer aparte kleur vertoont. Zo kan het jonge blad eerst een vuurrode kleur vertonen om later langzaam naar groen te verkleuren. Deze varens zijn geschikt om als blikvangers achteraan in de border te planten.

10. Buren

Varens wortelen zeer oppervlakkig dus als bovenbegroeiing kiezen wij voor diepwortelde heesters en bomen. Ook moeten de varens een minimum aan licht krijgen. Dus een beplanting die voor alles wat eronder groeit het licht uitdoet is niet aan te raden.

Wij kiezen voor bomen met een lichtfilterend bladerdek of bomen met een vast bladerdek maar met een hoge stam.

De beste combinatie met varens vormen de vaste planten zoals de Bergenia, Japanse anemonen, buxus, vinca, rheum, phormium, euonymus, alchemilla, helleboris, hosta, primula, euphorbia, geraniums, maarts viooltje en astilbe. Het voornaamste is dat de planten ook in halfschaduw groeien en een lichte, humusrijke grond vragen.

Het groen van de varens brengt rustpunten in de border. De grondsoort van de tuin zal hierin natuurlijk bepalend zijn.

Verwilderde bloemknollen en bloemknollen doen het eveneens uitstekend bij varens. Als wij dan bladverliezende varens hebben in de border, kunnen de bolgassen reeds vroeg in de lente voor kleur en groen zorgen. Eens deze zijn uitgebloeid, nemen de varens de toorts over.

11. Plagen

Een varen is vrij van alle plagen. Alleen de Tongvaren kan last krijgen van aaltjes.

12. Gebruik

De varen werd vroeger gebruikt om darmparasieten te verdrijven bij mens en dier (wortelstok).

Bij ons in de Kempen vulde men de matrassen met varens in plaats van stro. Sommigen eten de jonge bladeren als groente. Anderen gebruiken de stengels in het mandenvlechten en er zijn er die bepaalde varens aanwenden om linnen te kleuren.

13. Soorten

De meest voorkomende inheemse soorten

13.1. Origineel wilde varens

  • Addertong: heeft een dikke, korte wortelstok waaruit een dunne steel rijst. Onderaan de steel zit een eirond, gaaf, 4 tot 6 cm lang blad. Wat hoger is een dunne aar met vrij grote sporendoosjes. De plant lijk weinig op de varens die wij kennen en komt vrij veel voor in duinpannen, moerassen en zilte kreken.
  • Tongvaren: op oude muren, op rotsen, in bossen en op walletjes komt men deze kleine varen tegen. De sporendoosjes liggen in langwerpige, dwars gerichte hoopjes aan de onderkant van de gaafrandigen, 3 tot 4 cm lange bladeren. Deze varen wordt ook als sierplant geteeld. Komt veelvuldig in ons land voor.
  • Maanvaren: uit een klein wortelstokje ontspringt een steel waarvan de voet omringd is met bruine schubben. In het midden draagt hij een diep ingesneden blad en aan de top voert hij een pluim met vrij grote sporendoosjes. Men vindt deze varen op heidegronden en in de duinen.
  • Schubvaren: de veren zijn 6 tot 10 cm lang, zijdelings diep ingesneden met stompe, afwisselende slippen. De sporendoosjes liggen verborgen onder de glanzige schubben. Ze zijn van mediterrane afkomst.
  • Eikvaren: heeft grote, ronde, geheel ingesneden, geheel onbedekte hoopjes van sporendoosjes. De veren zijn 10 tot 45 cm lang, diep ingesneden, bijna gaafrandige slippen die in twee rijen op de dichte beschubde wortelstok zijn geplaatst. Deze varen vindt men in de duinen en bossen. Hij komt ook voor op boomstronken en knotwilgen. De wortelstok smaakt zoet en werd vroeger als medicijn gebruikt.
  • Dubbelloof: deze varen komt op vochtige terreinen en langs randen van grachten voor. Het is een veel voorkomende soort. De onvruchtbare veren lijken op deze van de Eikvaren maar ze staan in een rozet en liggen platter tegen de grond. De vruchtaren zijn veel langer (30 tot 50 cm), hebben veel smallere slippen die aan de achterzijde geheel bedekt zijn met twee lange stroken hoopjes van sporendoosjes.
  • Steenbreekvaren: de randen van de blaadjes van de samengestelde veer zijn ondiep ingesneden. Het is een klein, sierlijk maar zeldzaam varentje. Het groeit op oude muren, steenachtige hellingen en op rotsen.
  • Streepvaren: lijkt op de voorgaande varen maar de veer is niet echt samengesteld. Komt voor op oude muren.
  • Adelaarsvaren: het is een grote varenplant met een dikke, zwarte, diep in de grond kruipende wortelstok. Hieruit rijzen op gepaste afstanden regelmatig sterk samengestelde veren op. Op gunstige plaatsen bereikt deze varen een hoogte van 3 m. De omtrek van het gehele blad vormt een driehoek. Indien men de bladsteel doorsnijdt, ziet men, met de nodige verbeelding, in de donkere bastbundels een adelaarsfiguur. Men vindt deze varen in bosachtige zandstreken en op open terreinen.
  • Moerasvaren: de veren ontspringen op enige afstand van mekaar op een dunne, lange, zwarte wortelstok. De veren zijn 30 tot 80 cm hoog met een lange onbeschubde steel en zijn samengesteld uit diep ingesneden blaadjes met gaafrandige slippen. Ze komen voor in veenmoerassen.
  • Beukvaren:
    • Smalle beukvaren: de blaadjes waaruit de veer is samengesteld zijn zeer diep ingesneden. Men vindt ze in de bossen.
    • Gebogen beukvaren: de veer staat bijna dwars op de steel, die langer is dan de bladvlakte. De bladeren zijn reukloos, teer, groen en van achteren kaal. Vindplaats: beschaduwde plaatsen.
    • Rechte beukvaren: de veer staat recht op de steel, die maar weinig langer is dan de bladvlakte. De steel is sterk en onder de bladeren zitten klierknopjes. Ze zijn te vinden in de bossen, op kalkgronden en op muren.
  • Blaasvaren: een fijn en teer varentje met veren van enkele dm lengte. De zijblaadjes zijn samengesteld uit weer ingesneden blaadjes. De dicht beschubde wortelstok is kort en dik. De varen groeit op muren en in holle wegen.
  • Koningsvaren: de wortelstok ligt vaak boven de grond en lijkt op een stam. Hij heeft forse veren die wel 2m lang kunnen worden. Aan het uiteinde hiervan bevinden zich grote sporenhoopjes die op bloempjes lijken. De varens kunnen op vochtige, beschaduwde plekken wel 2m lang worden. Op drogere gronden blijft deze varen beduidend lager. Ze komen voor langs greppels in bossen en op veenachtige gronden. Sommige variëteiten worden als sierplant gekweekt.
  • Stekelvaren: de sterk samengestelde blaadjes van de veer nemen van onder naar boven steeds in lengte af, zodat de veer driehoekig is. Komt algemeen in bossen en op beschaduwde plaatsen voor.
  • Wijfjesvaren: vindt men vooral in bossen langs greppels en op beschaduwde plaatsen. Het is een veel voorkomende plant met meestal 0,5 m lange veren die ruwweg op die van de Mannetjesvaren gelijken maar fijner verdeeld zijn. Elke slip van blaadjes van de veer is op zich weer dieper ingesneden. Deze plant wordt ook veel als sierplant gekweekt.
  • Niervaren: de sporendoosjes staan bij deze planten in rondachtige hoopjes.
  • Mannetjesvaren: de bladstelen zijn meer dan een vinger lang. De lengte van de gemiddelde veer schommelt tussen 60 en 100 cm. Ze komen voor in bossen en langs de slootkanten. Ze werden gebruikt voor de afdrijving van lintwormen.
  • Muurvaren: algemeen varentje dat in de voegen van oude muren groeit. De veren zijn dwars afstaand en veelal verdeeld in drieën als bij een klavertje verdeelde zijblaadjes.
  • Zwartsteel: de onderste, samengestelde, diep ingesnede blaadjes zijn de grootste. Hierdoor krijgt de veer een vorm van een langwerpige driehoek. De veren zitten aan lange, zwartgekleurde stelen. Men vindt deze varens op oude muren.
  • Stippelvaren: de randen van de slippen waarin de blaadjes van de samengestelde veer verdeeld zijn, zijn nagenoeg gaaf. De achterzijde van het blad is met gele kliertjes bezet en lijkt daarom gestippeld. Men vindt deze varen op vochtige plaatsen in het bos.
  • Naaldvaren: de randen van de slippen zijn verdeeld in tandjes. De steel van de veren is meestal kort en de ganse veer meet tussen de 30 en 60 cm. Het loof blijft in de winter groen. Komt voor in Zuid-Limburg.
  • Kamvaren: de blaadjes van de veer zijn niet samengesteld maar zeer diep ingesneden. Ze zijn over geheel de lengte van de veer, uitgezonderd aan de top, even lang. Ze komen voor op moerassige plaatsen en bossen.

13.2. Siervarens (van vreemde afkomst)

  • Venushaar: een veel, als kamerplant gekweekte varen. Wordt ook als bodembedekker op een zure, humusrijke grond aangetroffen. Vraagt een beschutte standplaats.
  • Struisvaren: een van de meest voorkomende tuinvarens. De onvruchtbare veren lijken op die van de mannetjesvaren maar staan in dichte bundels rechtop, enigszins gebogen als struisvogelveren. De vruchtbare veren zijn niet half zo lang als de onvruchtbare. Ze hebben gaafrandige, bruinachtige blaadjes die geheel achterom zijn gekruld en de sporendoosjes omsluiten. De varen vormt een "beker" waarmee regenwater wordt opgevangen. Deze varen is afkomstig uit Azië en Noord-Amerika.
  • Bolletjesvaren: de onvruchtbare veren die op korte afstand van elkaar uit de wortelstok oprijzen zijn bovenaan diep ingesneden. Onderaan zijn ze bijna samengesteld en hebben ze slippen die weer tot ongeveer op de helft zijn ingesneden. De vruchtbare veren lijken op een pluim van bruine bolletjes van een paar mm dikte waarin de sporendoosjes zitten. Deze plant is afkomstig uit Noord-Amerika en Oost-Azië.

13.3. Gekweekte varens voor de tuin

  • Hoefijzervarens:
    • Venusharen: zeer winterharde bodembedekkende soort voor een humusrijke, beschaduwde en tegen de wind beschutte standplaats.
    • Dwerghoefijzervaren: dwergsoort met blauwgroene blaadjes voor een zonnige tot beschaduwde plaats. Rotsplant voor een humusrijke grond. In de winter gedeeltelijk groenblijvend.
    • Hoefijzervaren: halfhoge soort met blauwgroene blaadjes voor een halfbeschaduwde, zure standplaats.
    • Roodbladige hoefijzervaren: jonge bladeren zijn purperrood uitlopend, van roze naar groen verkleurend. Deze plant verlangt een humusrijke, zure grond, een beschaduwde en tegen de wind beschutte standplaats.
  • Venushaarvaren: bodembedekkend varentje uit de Himalaya. Het is een in de winter groenblijvende rotsplant voor humusrijke bodem en een half beschaduwde standplaats.
  • Schubvaren: vroeger gebruikt tegen miltziekte. Deze varen komt voor op droge, zonnige muren en rotsen. De leerachtige bladeren rollen bij felle zon en droogte op. Ze blijven in de winter groen.
  • Tongvarens:
    • Tongvaren: zie inheemse varens
    • Smalbladige Tongvaren: zeer smalle, gekartelde bladeren. Deze plant vraagt een beschaduwde standplaats en een vochthoudende, humusrijke grond. Geschikt voor een rotstuin, borders of bij een vijver. Ze blijven in de winter groen.
    • Hanekam Tongvaren: de uiteinden van de bladeren zijn kamvormig verbreed. Ze komen voor op beschaduwde plekken op een vochthoudende, humusrijke grond. Geschikt voor de rotstuin, siertuin, vijvertuin en blijft in de winter groen.
  • Steenbreekvaren: inheems varentje voor de schaduw of lichtere plaatsen. Het groeit zowel op vochtige als droge plaatsen. Het is een rotsplant die in de winter groen blijft. De "Incisum" is een gedrongen variëteit met ingesneden blaadjes, die langzaam groeit. Deze kan terecht op zowel zonnige als beschaduwde plaatsen.
  • Wijfjesvarens: zie de inheemse soort.
    • Wenteltrap Wijfjesvaren: sterke soort voor lichte tot beschaduwde standplaats. De bladeren lijken op een wenteltrapje. De plant is geschikt voor de rotstuin, als borderplant bij de vijver of als een potplant.
    • Roodstelige Wijfjesvaren: heeft opvallende purperrode bladstelen. Geschikt voor een half- tot geheel beschaduwde, niet te droge standplaats. Staan mooi in grote groepen.
    • Victoria Wijfjesvaren: bijzonder gevormde varen die 110 jaar geleden in Schotland werd gevonden. De blaadjes zijn smal en U-vormig gerangschikt.
    • Japanse Wijfjesvaren: opvallende varen met crèmekleurig blad en rode nerven. Ze vragen een humusrijke, niet te droge halfbeschaduwde standplaats.
  • Japanse Regenboogvaren: aparte varen met grijze bladeren voor een halfbeschaduwde standplaats. Te gebruiken in een witte border.
  • Athhyrium vivaldi: bladeren lopen bronskleurig uit. Breeduitgroeiende plant voor een halfbeschaduwde, humusrijke, niet te droge standplaats. Loopt in het vroege voorjaar uit.
  • Dubbelloofvaren: zie inheemse soorten. Bodembedekkend varentje voor zowel zonnige als beschaduwde standplaatsen. Verlangt vochthoudende grond in een rots- of siertuin. Blijft in de winter groen.
    De variëteit "Spicant" is de inheemse soort die ook in de siertuin zijn plaats vindt.
  • IJzervaren: een varen voor zeer donkere plaatsen op een humusrijke, vochthoudende grond. Geschikt voor rotstuinen en bostuinen. Heeft in de winter afdekking nodig. De" fortunei" heeft een lichter blad en kan wat meer droogte verdragen
  • Blaasvaren: zie de zeldzame inheemse soort. De "bulbiferia" komt uit Noord-Amerika en draagt aan de onderzijde van het blad talrijke broedbollen. De plant heeft een voorkeur voor een vochtige, kalkrijke bodem in de halfschaduw. Geschikt voor de sier- en rotstuin.
  • Goudschubbenvaren: zeer forse varen, genoemd naar die goudkleurige kafschubben de bladsteel bedekken. Verdraagt volle zon als de grond voldoende vochtig is. Geschikt voor border, siertuin en bostuin.
    • Gekroesde Goudschubbenvaren: gedrongen en kroezige vorm van de soort. Verdraagt volle zon als de grond goed en voldoende vochtig is. Voor de stadstuin, siertuin en vijvertuin.
    • Dwerg Goudschubbenvaren: dregvaren met donkergroen, leerachtige blaadjes. Sterke soort voor zowel zonnige als beschaduwde standplaatsen. Voor alle grondsoorten. Geschikt voor de rotstuin, op muurtjes of als potplant.
    • Smalle Goudschubbenvaren: opgaande groeiwijze met smalle bladeren. Sterke soort voor zowel zonnige als beschaduwde standplaatsen. Toepasbaar op alle grondsoorten, in de border, sier- en bostuin.
    • "The King": koning van de goudschubbenvarens. Verdraagt volle zon als de grond voldoende vochtig is. De blaadjes aan de uiteinden zijn handvormig vertakt. Komt voor in de sier-, vijver- en bostuin.
  • Kamvaren: zie inheemse soorten
  • Olifantenslurfvaren: genoemd naar de slurfvormige bladeren. Decoratieve varen voor een halfbeschaduwde niet te droge standplaats. Geschikt voor de bos- en siertuin. Blijft in de winter groen.
  • Stekelvaren: voor de breedbladige stekelvaren: zie inheemse soorten.
    • Gekroesde Stekelvaren: gedrongen varen met kroezige bladeren en lichte bladranden. Sterke soort voor zowel zonnige als beschaduwde standplaatsen op alle grondsoorten. Geschikt voor de rots-, sier-, vijver- en bostuin.
    • Dwergstekelvaren: langzaam groeiende vorm met stugge, fijngedeelde bladeren. Groeit op zonnige en beschaduwde standplaatsen. Op alle grondsoorten, ook op droge grond. Geschikt voor rots-, sier- en vijvertuin. Groenblijvend.
  • Herfstvaren: varen afkomstig uit China met fraai, rood uitlopend blad. Geschikt voor een lichtbeschaduwde humusrijke standplaats. Gebruikt tussen groenblijvende gewassen in de sier- en bostuin.
    • De variëteit "Profilica" is een broedboldragende varen met rood uitlopende bladeren. Het volwassen blad wordt glimmend donkergroen. Geschikt voor een halfbeschaduwde standplaats.
  • Mannetjesvaren: zie inheemse soorten.
    • Gekroesde Mannetjesvaren: gedrongen soort met aan de uiteinden handvormige vertakte blaadjes. Zowel zonnige als beschaduwde standplaats op alle grondsoorten, ook op droge grond. Geschikt voor de border, pot, sier- en vijvertuin.
    • Lancetbladige Mannetjesvaren: opvallende vorm met zeer smalle, lijnvormige blaadjes, aan de uiteinden handvormig vertakt. Groeit op zowel zonnige als beschaduwde standplaatsen, op alle grondsoorten. Geschikt voor de border, siertuin en bij de vijver.
    • Japanse Mannetjes varen: zeldzame, Japanse varen met een bijzondere mooie vorm voor een humusrijke, halfbeschaduwde standplaats. De bladeren zijn stijl opgaand. Geschikt voor de sier-, rots- en bostuin.
  • Siebold's varen: opvallende, blauwgroene varen met diepe gedeelde, tongvormige bladeren. Leerachtig, dik blad. Groeit in de half schaduw in een humusrijke vochthoudende grond. Blijft in de winter groen.
  • Zwartschubbenvaren: Varen van de gebergten van Nepal. Planten met opvallende leerachtige bladeren met zwartbehaarde bladstelen. Gebruikt als solitair in de sier- en bostuin.
  • Beukvaren: zie voor de diverse soorten bij de inheemse soorten.
  • Struis-of bekervaren: zie gekweekte bij ons voorkomende varens.
    • Amerikaanse struis- of bekervaren: forse varen voor halfbeschaduwde plekken. Verlangt een vochthoudende bodem en woekert door middel van een wortelstok. Geschikt voor sier- en bostuin. In de winter blijven de sporenbladeren bruin rechtopstaand over.
  • Bolletjesvaren: zie gekweekte bij ons voorkomende soorten.
  • Kaneelvaren: Amerikaanse koningsvaren voor een halfbeschaduwde standplaats. Verlangt een vochtige, zure bodem. Loopt met kaneelkleurige sporenbladen uit. Geschikt als solitair en in de vijvertuin.
  • Kroonvaren: Amerikaanse koningsvaren met een decoratief blad voor een halfbeschaduwde, vochtige en zure bodem. Solitair, ook in vijver- en bostuin.
  • Koningsvaren: zie inheemse soorten.
    • De variëteit "Purpurascens" is een variant van de inheemse koningsvaren met donkerrode stelen en rooduitlopend blad. Voor veenachtige, vochtige bodem. Geschikt als solitair bij de vijver.
  • Eikvaren: zie inheemse soorten.
    • Grote Eikvaren: Bodembedekkende varen voor zowel beschaduwde als zonnige standplaatsen. Kan ook prima op drogere plaatsen gebruikt worden. Voor de bos- en siertuin of op droge plekken onder de bomen. Wintergroen.
  • Braun's Schildvaren: Wintergroen varen voor een halfbeschaduwde standplaats. Vroeg uitlopend met zilverwitte schubben op de uitrollende bladeren. Houdt van een humusrijke, vochthoudende bodem. Geschikt voor de sier-, bos- en vijvertuin.
  • Zwaardvaren: Fraaie grote pollen vormende varen met leerachtig blad voor een beschaduwde standplaats met een humusrijke vochthoudende bodem. Blad wordt als snijgroen gebruikt in de winter. Geschikt voor sier- en bostuin.
  • Glansschildvaren: Wintergroene varen met een donker glimmend blad voor beschaduwde, humusrijke en vochthoudende standplaats. Geschikt voor de sier-, bos- en vijvertuin.
  • Naaldvaren: zie ook inheemse varens (de zachte en harde Naaldvaren) Alle Naaldvarens zijn in de winter groenblijvend.
    • Harde Naaldvaren: zeldzame, inheemse soort voor een niet te droge plaats in de halfschaduw. Geschikt voor de rots-, sier- en bostuin.
    • Zachte Naaldvarem: variëteit "Dahlem" is een zeer fraaie, breedgroeiende vorm die mooi als solitair te gebruiken is. Voor lichte tot beschaduwde plaats ook op wat drogere grond. Geschikt voor de sier- en bostuin of vijvertuin.
      • De variëteit "Herrenhausen" is een breedgroeiende vorm met donkergroen, spits blad. Zonnige beschaduwde standplaats ook op wat drogere grond. Geschikt voor rots-, bos-, sier- en vijvertuin.
      • De variëteit "Proliferum" is een zeer donkergroene vorm met spitse bladeren voor zowel een lichte als ook beschaduwde standplaats en voor droge en vochtige gronden. Geschikt voor de sier-, rots- en vijvertuin. Het blad wordt ook als snijgroen gebruikt.
      • De variëteit "Plumoso-densum" is een breeduitgroeiende plant voor een halfbeschaduwde standplaats op een droge maar ook vochtige grond. De plant vormt op de nerven broedbollen waar plantjes uitkomen. Geschikt voor de sier- en bostuin.
    • Dwergnaaldvaren: verkiest een lichte tot beschaduwde standplaats. Geschikt voor zowel droge als vochthoudende grond. Mooi in een rots- en siertuin.
  • Adelaarsvaren: zie inheemse soorten
  • Moerasvaren: zie inheemse soorten
  • Wimpervaren: zeldzaam varentje met grijsgroen blad uit de poolgebieden. Vraagt een lichtbeschaduwde plaats. Groeit het liefst op vochtige grond. Geschikt voor de rotstuin.
Copyright © 2004-2009 Quintux