Artikels over bloemen:

De verzorging van orchideeën.

Om de algemene kennis van onze leden over de opkweek en verzorging van orchideeën een beetje aan te scherpen nodigde de Volkstuinen Sint-Truiden Paul Noben op haar ledenvergadering in het CC van Sint-Truiden uit. Onze spreker is voorzitter van de orchideevereniging "De Orchideevriend" regio Limburg, werd enige maanden geleden verkozen tot nationale voorzitter van deze vereniging en vormt de uitgelezen persoon om ons een tip van de sluier die over deze mysterieuze bloem ligt op te tillen.

1. Waar komt de naam vandaan?

De eerste orchideeën die bekend werden waren Europese aardorchideeën. De planten vormen, op enige uitzonderingen na, bolvormige onderaardse delen. In volle bloei is er de bol welke vorig jaar gemaakt werd en waar de huidige plant uit gegroeid is met daarnaast de nieuwe bol. Zo beschikt de plant over twee bollen. Als men uitgegraven plant en aan de stengel omhoog houdt kan men met een beetje verbeelding de mannelijk geslachtsdelen herkennen.

Het Griekse woord voor teelbal is orchis. Vandaar de naam van de plant. De gelijkenis moet wel tekenend zijn want in oude Nederlandse geschriften wordt de orchidee dikwijls kullekens kruid genoemd en in Turkije wordt het woord Saleb gebruikt voor een poeder dat gemaakt wordt van gedroogde en gemalen orchideeknollen. Saleb is afgeleid van een Arabisch woord voor de edele delen van een hond.

2. Wat maakt dat sommige planten orchideeën zijn.

Algemeen heeft een orchideebloem altijd 5 bloembladen: 3 sepalen en 2 petalen. De derde sepaal is gewoonlijk uitgegroeid tot een lip. Deze is kenmerkend voor vele orchideesoorten. Uitzondering op deze regel vormen enkele orchideesoorten waarvan de bloembladen aan elkaar gegroeid zijn. Bij cypripaediae of venusschoentjes is er een vlag boven de schoen die uit 2 aan elkaar gegroeide sepalen bestaat. Hierdoor zijn de bloemen 2 zijdig symmetrisch. Dat betekent dat men ze maar op één manier in twee gelijke helften kan scheiden nl. van boven naar beneden.

De stuifmeelkorrels zijn tot polliniën samen gekleefd. Er is dus geen vrij stuifmeel meer. De zaden zijn microscopisch klein en bevatten een onontwikkeld embryo zonder voedselvoorraad. De ontwikkeling van deze embryo’s kan enkel plaats vinden door een symbiose met een schimmel.

Een symbiose is een samenwerking tussen twee organismen waar beiden voordeel uit halen. In dit geval geeft de zwam suikers af aan de plant en kan dan later profiteren van de fotosynthese van de plant. Al deze eigenschappen komen ook voor bij andere plantenfamilies maar nooit allemaal samen.

2.1. Europese orchideeën

De meeste mensen kennen wel Europese orchideeën, ze zijn veel moeilijker te kweken dan tropische planten. Het is slechts de laatste jaren gelukt om enige Europese orchideeën te zaaien en op te kweken tot ze groot genoeg zijn voor de verkoop. De meeste van deze planten gaan dan echter snel dood omdat de precieze voorwaarden voor het overleven niet vervuld zijn zoals een kalkbodem, geen meststof en sproeimiddelen.

2.2. Tropische orchideeën

De interesse in orchideeën gaat vooral uit naar de tropische soorten. De tropische orchideeën komen in alle tropische gebieden voor in Midden en Zuid-Amerika, in Midden en Zuid-Afrika vanaf India, op de zuidelijke flanken van de Himalaya, in Zuid-China, van Zuidoost Azië tot Australië en op de eilanden van de Stille Oceaan.

Het aantal en de verscheidenheid van de orchideeën welke op een bepaalde plaats voorkomen is afhankelijk van de jaarlijkse regenval en het reliëf. In het gebergte komen dikwijls meer soorten orchideeën voor omdat men op elke verschillende hoogte weer een ander biotoop aantreft.

3. Epifyten, terrestrische en lithofieten

Vele orchideeën leven als epifyten. Om de concurrentie van de andere planten te overleven, zijn ze hoog in de bomen gaan groeien. Zo worden ze niet verstikt in het duister van de oerwoudbodem en krijgen ze hun benodigde hoeveelheid licht.

Een orchidee is geen parasiet. Ze gebruikt niets van de gastplant. De wortels hebben zich aangepast aan dat epyfitisch leven, zijn dikwijls dik en omgeven met een dikke laag cellen, het velamen. De wortels verspreiden zich over het schorsoppervlak zodat het verwijderen van een plant van een boom zonder schade aan de wortels onmogelijk is.

Bij het kweken van orchideeën thuis kan men vaststellen dat er telkens andere wortels gemaakt worden die aangepast zijn aan de omgeving. Daardoor gaan luchtwortels bijna altijd rotten als men de plant in een pot stopt en met een of ander mengsel bedekt. De nieuwe wortels welke zelf het mengsel indringen voelen zich dan hierin weer juist goed.

Men treft regelmatig planten aan die op naakte rotsen groeien en waarvan de wortels in alle richtingen uitzwermen over het kale oppervlak. Soms staan de planten in nesten humus in een rotsspleet of een holte. Dit worden lytophyten genoemd. In vele gevallen kan men echter lytophyten ook als een epifyt terugvinden.

Orchideeën groeien eveneens in aarde. Deze bestaat dikwijls uit bladgrond zoals de oerwoudbodem of een dikke laag mos waarbij de wortels tot in de onderliggende grond doordringen.

Cultuurplanten zijn zeer moeilijk in gewone aarde te planten. We moeten de natuurlijke voorwaarden zo goed mogelijk nabootsen om de planten te laten overleven. We kweken aardorchideeën daarom meestal ook in een epifyten mengsel eventueel aangevuld met wat grond of in het geval van lytophyten met wat steentjes.

4. Thuis kweken, op de vensterbank

De meeste beginnende orchideeliefhebbers kweken hun eerste plantjes op de vensterbank. Het is best even na te denken welke planten daar het meest geschikt voor zijn. De Phalaenopsis en Cattleya zijn hiervoor zeer geschikte soorten.

De veel aangeboden Miltonia is minder geschikt doordat een droge omgeving groeistilstand veroorzaakt met harmonicabladen als gevolg.

De Cambria en Cymbidium kan men in de winter binnenzetten en vanaf de late lente buiten onder een open boom zoals een berk. Tegen de winter, voor de eerste nachtvorst, worden de planten dan binnengehaald.

De Paphiopedilum gaat ook goed op de vensterbank maar dan met een beetje minder licht.

4.1. In een veranda

Een veranda heeft als voordeel dat men veel licht heeft, wat een Cattleya graag heeft. Men kan hierin ook veel beter zijn planten kwijt.

4.2. In een terrarium

Het voordeel van een terrarium is dat de luchtvochtigheid veel hoger is. Veel orchideeën stellen dat op prijs. Men moet echter goed oppassen dat er ‘snachts niet een te grote afkoeling optreedt hetgeen tijdens een koele nacht rot kan veroorzaken.

Een terrarium wordt door veel plantjes op prijs gesteld als ze op een plankje of schorsstukje geplaatst zijn.

4.3. In een serre

De voordelen van een serre zijn niet te evenaren door andere kweekplaatsen. De stookkosten in de winter kunnen wel aardig oplopen en in de zomer kan het soms snel te warm worden. Maar de voordelen zoals licht, ventilatie, vochtigheid en het groter gemak om water te geven maken het kweken veel eenvoudiger, bijzonder indien men er een grotere collectie wil op na houden.

4.4. Onder kunstlicht

Sommige kwekers zweren bij kweek onder kunstlicht. In een kelder of zolder worden dan bakken geplaatst met planten. Men hangt de buislampen op 30cm boven de planten met 20 cm tussenruimte.

De temperatuur is goed onder controle te houden. Men is ook niet zo afhankelijk van de buitentemperatuur. De verlichtingskosten lopen nogal hoog op en het is niet prettig om te werken met de lampen zo dichtbij de planten.

5. Zaaien en opkweken: de verschillende stappen

5.1. Zaaien

Het zaaien van orchideeën was zeer moeilijk. Eerst moet men in een laboratorium schimmels isoleren, vermeerderen om daarop later te kunnen zaaien.

Men probeerde ook te zaaien in de pot van geïmporteerde planten in de hoop dat de nodige schimmel nog aanwezig was.

In 1920 ontwikkelde Knudson een niet symbiotische manier van zaaien. Hij had ontdekt welke stoffen door de schimmels geleverd werden en stelde een voedingsbodem samen van suikers en mineralen waar de zaden op ontkiemden en groeiden.

Als de bestuiving gebeurd is, moet men 6 tot 11 maanden wachten voor de zaaddoos rijp is. De voedingsbodem wordt gereedgemaakt en gesteriliseerd. Deze bestaat uit een zorgvuldig uitgebalanceerd mengsel van mineralen en suikers. Agar wordt bijgevoegd om de bodem op te doen stijven na afkoeling.

Het is zeer belangrijk om proper te werken. Mensen die er meer mee bezig zijn bouwen of kopen zich een laminaire flowkast. Deze kasten staan in lichte overdruk met gefilterde lucht. Het werkblad wordt met een chlooroplossing zuiver gemaakt.

Men kan kiezen of met groene zaaddozen wil werken of met rijp zaad. In het eerste geval wordt de ganse zaaddoos in een chlooroplossing gedompeld en na een 10 tal minuten zuiver geschraapt met een gesteriliseerd mesje. In het geval van droge zaad wordt het zaad zelf in een dichlooroplossing gedompeld gedurende 20 minuten. Het zaad wordt gefilterd en op de gekoelde voedingsbodem gelegd. Alles moet zeer steriel gebeuren anders kweekt men enkel schimmels. Deze schimmels groeien zeer snel op de suikers en mineralen van de voedingsbodem.

Tot voor enkele jaren stelden zaaiers zelf hun voedingsbodem samen. Nu kan men in laboratoria een gereedgemaakt mengsel kopen waaraan men nog enkel water moet toevoegen en steriliseren. Deze bodems worden nog steeds verbeterd.

5.1.1. Flessen

Het duurt soms enkele maanden eer de zaden in de zaaiflessen tot plantjes beginnen uit te groeien. De plantjes krijgen na enkele maanden een ander mengsel waarop ze dan weer sneller groeien. Degenen die niet zelf willen zaaien, kunnen bij zaaiers hobbyisten orchideeënkwekers of via internet flessen kopen.

5.1.2. Kleine potjes en communitypotten

Als de plantjes voldoende oud zijn, meestal na 1,5 jaar, kunnen ze worden uitgeplant in kleine potjes of communitypotjes. Deze potjes mogen niet te groot zijn zodat het fijne mengsel niet te lang nat blijft. communitypotjes of bakjes zijn platte schalen waar eveneens een fijn mengsel van fijngeknipte bark, spagnum, styrofaomkorrels of een ander fijn mengsel in gedaan wordt.

De plantjes worden tamelijk dicht bijeengeplaatst zodat ze niet te snel uitdrogen. Omdat het mengsel fijn is breekt het snel af. Daarom is het goed de plantjes de eerste jaren dikwijls te verpotten.

5.2. Oppotten

5.2.1. In plastic of stenen potten

Plastic potten worden het meest gebruikt door de liefhebbers en kwekers. Deze potten blijven langer vochtig, er vindt geen ophoping van zouten plaats in de potwanden en ze zijn beterkoop dan stenen potten. De wortels zetten zich niet zo vast op de potwand zodat de planten gemakkelijker uit de pot gehaald kunnen worden om te verpotten. Toch zijn er kwekers die bij stenen potten zweren om enkele van deze eigenschappen. De zoutophoping probeert men te vermijden door de potten soms te dopen in zuiver regenwater zonder meststof.

5.2.2. Op een blokje boomvaren

Men kan stuk een stevige geplastificeerde draad tegen een staander vastmaken en de plantjes hieraan hangen. De liefhebbers en ook sommige kwekers verkiezen om enkele van hun planten op een blokje boomvaren te binden. Het voordeel hiervan is dat deze blokjes snel water opnemen en toch niet te nat blijven.

Als een ventilator over de plantjes blaast zijn ze snel droog. Men moet een beetje zoeken welke plantjes graag op zo een stukje boomvaren staan. De planten uit een of ander bergachtig nevelwoud zullen zich er zeker thuis op voelen.

5.2.3. Op kurk of een ander stuk schors

Men kan de plantjes eveneens op een stukje schors of kurk binden. Ze worden bevestigd met een stukje plantendraad. De wortels legt men in een nestje mos of lange vezelturf en dan bindt men het geheel goed vast.

Het voordeel hiervan is dat de planten, binnen de kortste tijd na het begieten, weer droog zijn. Heel wat planten verkiezen het regime van eerst goed nat en dan weer droog te zijn.

Hierdoor krijgt men haast nooit zoutenophopingen waardoor de wortels verbranden. Experimenteren met enkele plantjes is het beste. Al heel snel bemerkt men of de plantjes zich goed voelen door de lange groene punten aan de wortels.

Een ander voordeel van dit systeem is dat men tamelijk veel planten op een relatief kleine plaats kwijt kan en het oogt nog natuurlijk.

5.3. Delen

5.3.1. Uit de pot halen

Na enkele jaren worden de planten te groot of men wil een vriend of vriendin een stuk van een prachtige plant geven. Een sympodiale plant stelt bij delen geen problemen. We laten het mengsel eerst een beetje opdrogen alvorens de plant te delen. Als we de plasticpot een beetje kneden komt de plant er gemakkelijk uit

5.3.2. Doorsnijden

We snijden de plant met een mes in stukken en zorgen ervoor dat de stukken niet kleiner zijn dan 4 pseudobulben. Op deze manier hebben we de meeste kans om volgend jaar weer een bloeiende plant te hebben.

Als het vorige mengsel erg verweerd was, is er veel kans dat de meeste wortels rot zijn. We snijden deze slechte wortels weg. Veel te lange wortels korten we in.

5.3.3. Terug oppotten

We vullen de potbodem met enkele stukken gebroken isimo. Zo zorgen we dat de bodemgaten niet te snel dicht slippen en hebben we altijd een goede drainage. Terwijl we de plant met een hand in de pot houden vullen we hem verder met een vooraf gemaakt mengsel. We zorgen ervoor dat de plant goed vast komt te staan door licht te schudden. De plant mag niet te diep staan liefst niet dieper dan ze ervoor stond. Daarna steken we een of twee plantstokjes langs een pseudobulb en binden ze met plantendraad goed vast. Een plant welke vast staat wortelt veel gemakkelijker.

6. Mengsels

Vroeger was er een standaardmengsel dat bestond uit 1, Spagnum of veenmos, dit is het mos welk rond sommige plassen voorkomt, het kan zeer lang worden en heeft dikke groeihoofdjes. 2, Osmunda of koningsvaren, hier wordt het nest wortels bedoeld welke elke varen heeft, bij osmunda kan dit zeer grote proporties aannemen, allemaal ongeveer 1 à 2 mm dikke worteltjes welke dan korter gesneden worden. 3, Beukenblad, niet te fel verteerd beukenblad.

De eerste 2 elementen worden als maar zeldzamer en men is begonnen met andere middelen te zoeken. Zo wordt er veel Bark gebruikt, dit is de harde schors van Redwood uit Californië. De laatste jaren worden andere schorsen zoals Franse pijnbomen gebruikt.

Een ander element kan gemalen kurk of stukje boomvaren zijn. Dit laatste is ook zeer goed maar moeilijker verkrijgbaar. Nieuw Zeeland mos wordt ingevoerd en is zeer goed bruikbaar. Andere elementen zijn argex, zilverzand, en lavabrokjes. Dit alles kan men mengen om een meer of minder vochthoudend mengsel te verkrijgen.

Charles Declerk, voormalig hoofd van de hogere tuinbouwschool van Vilvoorde en fervent orchideeliefhebber raadde een mengsel van isomobrokken als potvulsel, argexbolletjes als gewichtmaker en stukjes schuimplastic als vochthouder aan. Hij beweerde dat het mengsel niet belangrijk is. De planten moeten iets hebben waar ze zich in kunnen vasthouden en wat een beetje vochtig blijft. De rest zit het gietwater.

De planten in dit mengsel groeiden en bloeiden goed maar een mengsel van Bark, kurk, mos met een beetje boomvaren brokjes erbij is nog het beste.

7. Temperatuur

De temperatuurbehoefte van orchideeën wordt in drie opgedeeld.

  • Warme serre: 20 tot 30 ° C
  • Gematigde serre: l4 tot 20 ° C
  • Koude serre: 8 tot 18 ° C

Boven of onder deze temperaturen gaan voor een korte tijd kan geen kwaad maar de orchideeën voelen zich hierbij het beste. De meeste orchideeën stellen een temperatuurverschil tussen dag en nacht van 5 ° C erg op prijs. Als de temperatuur te fel stijgt kan er gesproeid worden de verdamping brengt dan afkoeling

8. Luchtvochtigheid

De luchtvochtigheid is goed als ze tussen 50 % en 70 % is. Veel lager dan 50 % is niet zo goed. De bladeren verdampen veel en als de wortels niet zeer gezond zijn, drogen de planten uit. Met een hygrometer en een luchtbevochtiger is het probleem van te lage luchtvochtigheid in de meeste gevallen gemakkelijk op te lossen.

Te hoge luchtvochtigheid zoals in een terrarium of een afgedankt aquarium kan stagnerend vocht in de oksels of het groeipunt veroorzaken. Als men dan nog een te lage temperatuur krijgt kan rot grote schade aanrichten, vooral bij jonge plantjes.

9. Water geven

Er is een gezegde onder orchideeliefhebbers wat zegt: "indien ge twijfelt of ge moet water geven, geef dan geen water". Vermits de meeste orchideeën epifyten zijn hebben ze graag lucht aan de wortels. Bij een te nat of te fel verweerd mengsel komt er geen lucht meer aan de wortels met wortelrot tot gevolg.

Grote potten met Cattleya's krijgen 1 maal per week water in de zomer en om de 10 dagen in de winter. Als het warm is geeft men kleine potjes iets meer.

Phalaenopsis worden goed nat gemaakt waarna men de plant laat opdrogen. Deze planten mag men nooit laten uitdrogen want ze hebben geen pseudobulben.

Hetzelfde geldt voor Paphiopedilum die om de 5 dagen water in de zomer en lx per week in de winter krijgen. Het liefst hebben de planten regenwater met wat mest.

10. Mesten

Het grote discussiepunt is welk water en hoeveel mest. Als men zo maar meststof bij het water doet, weet men niets. Misschien verbranden de wortels door te veel aan mest. Een richtlijn is dat men slechts een fractie van de hoeveelheden, welke op de verpakking van plantenvoeding staat, moet gebruiken.

Meer gevorderden gebruiken een geleidbaarheidmeter of micro-Siemens meter. Als er geen zouten in water zijn opgelost heeft het water geen geleidbaarheid. Zuiver regenwater heeft een geleidbaarheid van 30 tot 50 micro-Siemens. Als men telkens als men water geeft meststof bijvoegt is een waarde van 20 m-S genoeg.

Andere kwekers geven 1 maal per maand water met een groter m-S gehalte. Daarna gieten ze telkens met zuiver water. Planten die snel groeien zoals Phaius tankervillae en Calante vestita soorten vragen veel mest. Men kan deze bijna nooit teveel geven.

Cattleya's, Phalaenopsis en de meeste andere orchideeën bemest men zoals eerst beschreven.

Paphiopedilum wil dan weer een beetje minder mest. Masdevallia en Dracula soorten houden helemaal niet van veel mest en hebben liefst een zwakke organische bemesting.

11. Licht

Cattleya vraagt veel licht. Enkel de zomerzon kan te veel zijn, maar als er gordijnen hangen is en reeds genoeg beschermd.

Phalaenopsis wil minder licht. De planten zet men verder van het venster of beschermt men meer tegen de zon.

Paphiopedilum wil nog een beetje minder licht. Men kan aan de bladeren voelen of ze het niet te warm hebben.

De bladeren van Cattleya's die donkergroen naar het rood toe zijn, krijgen genoeg licht. Als de bladeren geel beginnen te worden is er te veel licht. Men mag nooit planten die in het donker gestaan hebben plots in het licht zetten. Dit is het geval in de lente. Na de donkere wintermaanden kan een zonnige dag veel schade aanbrengen.

12. Luchtbeweging

De planten in het oerwoud krijgen bijna altijd bewegende lucht aan hun wortels, na een regenbui drogen de planten weer snel op. Als we enigszins kunnen moeten we een kleine ventilator over de planten laten waaien. Bijna elke orchidee stelt dit op prijs, in het bijzonder planten die gevoelig zijn aan rot.

13. Bloei-inductie koude

Voordat Phalaenopsis species een nieuwe bloeitak maken moeten ze enkele dagen koeler staan dan gewoonlijk (niet lager dan14 ° C). Dendrobium nobile moet ook koeler staan in het najaar maar terzelfdertijd ook droog en helder.

14. Droogte

Heel veel planten zoals de Encyclia en de Dendrobium moeten een kortere of langere periode van rust kennen eer ze willen bloeien.

Dendrobium aphylum, D. parischii en veel andere dendrobiums moeten enkele maanden droog staan. Slechts als de bloemaanzet er is, mag men beginnen water te geven.

De Encyclia geeft men een maand geen water.

Zo krijgen de Cattleya walkeriana en Bifrenaria harrisoniana slechts terug water als de bloemknop zichtbaar is. Na de bloei stellen veel orchideeën een korte rust op prijs.

15. Lange dag

Eénbladige Cattleya's bloeien na de winter als de dagen terug beginnen te lengen.

16. Waar orchideeën halen

Het aanbod in de meeste tuincentra is nogal beperkt tot enkele Cambria, Phalaenopsis, Paphiopedilum, Cymbidium en soms ook Dendrobium phalaenopsis hybriden.

Na enige tijd beginnen veel liefhebbers uit te kijken naar moeilijker of zeldzamer soorten. Men heeft planten in een boek gezien en kan ze niet vinden. Niet iedereen wil naar tropische landen gaan en daar zelf orchideeën gaan zoeken en planten verzamelen in het wild.

Importeren is verboden. Op de plaats van oorsprong van de planten kan men dikwijls zien waarom de ene plant zo groeit en de andere helemaal niet.

In België zijn er niet zoveel gespecialiseerde orchideeverkopers, in Limburg is er helemaal geen. In Duitsland zijn er verschillende maar dit land is groot en men is al gauw enkele honderden km onderweg.

Men kan orchideeën bestellen in verder gelegen landen maar te importeren hebben we vergunningen nodig en deze doen de prijzen fel stijgen. Een CITES en een gezondheidsattest zijn zeker nodig. Met deze papieren kan men een importvergunning bij het ministerie van landbouw aanvragen. Via Internet is er een groot aanbod van verkopers en catalogen.

Het best sluit men zich bij een orchideevereniging aan. Het is ongelooflijk hoe snel een collectie zich uitbreidt.

17. Soorten orchideeën

17.1. Paphiopedilum

Veel soorten venusschoentjes lenen zich goed tot vensterbankcultuur.

17.2. Bulbophyllum

Deze soorten lenen zich niet zo goed voor kweek in huis maar de bloemen zijn zeer mooi en van een ongelooflijke verscheidenheid.

17.3. Cologne

De meeste colognes groeien met een hangende bloeitros. Ze hebben ook bijna altijd een droge tijd met lage temperatuur nodig voor knopzetting.

17.4. Dendrobium

Nog een groep met enorm verschillen in bloem, plant en kweekwijze. Er zijn altijd groeiende soorten en er zijn soorten die een grote droogteperiode nodig hebben.

17.5. Cattleya

Dit is één van de bekendste groepen waarvan het aantal verschillende species niet zo groot is (een 40 ta1 en dan nog een aantal variëteiten). Er is bijna geen liefhebber die geen Cattleya heeft.

17.6. Encyclia

Is nauw verwant met Cattleya en werd tot voor enkele jaren onder het geslacht Epidendrum gecatalogeerd. De Encyclia heeft peervormige bulben en er is een droogteperiode nodig in de winter om te bloeien.

17.7. Epidendrum

Het is zoals bij Dendrobium een zeer groot geslacht met zeer grote verschillen bij plant en bloem.

17.8. Laelia

De meeste Laelia’s worden bij een gematigde temperatuur gekweekt en hebben hetzelfde potmateriaal nodig als de Cattleya. De Laelia’s hebben graag dat het potmengsel kan opdrogen tussen 2 gietbeurten.

17.9. Sopkonitis

Kleine orchideetjes met in verhouding grote bloemen.

17.10. Masdevallia

De meeste Masdevallia's moeten koud gekweekt worden. Ze houden ervan nooit helemaal droog te staan. Ze hebben graag een hoge luchtvochtigheid en luchtbeweging.

17.11. Cymbidium

De meeste mensen zetten hun Cynibidiums graag buiten vanaf de late lente tot in de late herfst. Voor de eerste vorst worden ze binnengehaald. Het verpotten gebeurt na de bloei of in het voorjaar.

Copyright © 2004-2009 Quintux